Interview met verteller en auteur Jac Vroemen

Jac Vroemen

‘We zijn één zintuig’

Beeldend vertellen is een voorwaarde voor succesvol presenteren. ‘Maak je verhaal concreet, beschrijf het. Als we het voor ons kunnen zien, kunnen we het onthouden.’ Een van de lessen van verteller Jac Vroemen en ook een les uit mijn presentatietrainingen. Jac Vroemen weet veel van beeldend vertellen. Hij is een van mijn leraren.

In zijn cursussen legt Jac het accent op vertellen uit ieders eigen leven. Hoe maak je van een herinnering een verhaal? En zo dat het ook prettig is om naar te luisteren? Jac zegt het prachtig: ‘Beleef je je hoofd als een rommelzolder? Vertellen maakt er een schatkamer van’. Dat kan alleen als er echt naar elkaar wordt geluisterd, en dat gebeurt als er goed wordt verteld.

De feiten tot leven brengen.

Jac ontdekte tijdens zijn studie als cultureel antropoloog de betekenis van vertellen als communicatiemiddel. Een vreemde cultuur begrijpen, vraagt meer dan droge feitenkennis over een ander volk. Je moet die feiten tot leven brengen en dat vraagt vertelkunst.
Na zijn afstuderen werd Jac onder andere free lance journalist voor het weekblad De Nieuwe Linie. Later werd hij er redacteur. Hij werd ook docent aan de Utrechtse School voor de Journalistiek waar ik les van hem kreeg in creatief schrijven. Het waren de jaren zeventig; ‘de school’ was een van de laatste bolwerken van projectonderwijs en studentenbestuur, een hectische miniatuurwereld, waarin de stromingen van die tijd elkaar soms heftig ontmoetten. Toch was er een sterke samenhang als het ging om het handhaven van de school tegenover een steeds conservatiever wordende buitenwereld. Een bijzondere tijd.

In 1992 ontmoette ik Jac opnieuw. Hij was intussen zelfstandig mediatrainer en hij publiceerde haiku’s. Sindsdien heb ik veel meer van hem geleerd op het gebied van communicatie. Jac is een ervaren rot, hij trainde allerlei organisaties waaronder Natuurmonumenten, Green Peace en Milieudefensie in bondig presenteren en de omgang met de media. De laatste jaren coacht Jac mensen in beroepen die beeldend vertellen kunnen gebruiken, zoals onderwijzers, voorlichters en mensen in de gezondheidszorg.

Maart 2011 Een vriendelijk huis in een laan in Driebergen dat uitkomt op het bos. Op de oprit een wat gedeukte Citroën. Binnen veel houtkleuren. Jac zit bij het raam in wat duidelijk zijn stoel is, de hond Wapper ligt er naast, in luisterhouding. Vriendin Dorine heeft zich met laptop teruggetrokken in de blokhut achter in de tuin, waar ze allebei ook coachingsgesprekken houden. Jac’s zachte toon bromt door de kamer. Een restant Limburgs accent.

‘Waarom we vertellen? Probeer het maar eens uit bij kinderen,’ zegt hij, en let dan op wat er gebeurt. ‘Er was eens … Als je deze woorden zegt, gaat de blik op oneindig. Er komt een verhaal, dat weten de kleintjes, magie werkt. Trouwens ook ouders, als ze er bij zijn, raken in vertelstemming. Kennelijk scheppen we, door een van oudsher overgedragen toon- en woordkeus, die parallelle wereld: een waakdroom waar we ons in mee laten voeren. Een goed verhaal laat een bepaald licht vallen op onze werkelijkheid. Dit helpt subtiliteiten aan te voelen, die eigenlijk niet voor uitleg vatbaar zijn. Want als je een verhaal uitlegt gaat het speciale verloren’.

Op zoek naar de samenhang.

Jacs vader was hoofd van de school in het Limburgse Beek. Aan huis kwamen geregeld missionarissen, waaronder twee veel oudere broers. Ze vertelden over hun ervaringen in allerlei verre landen. Jac zat er als kind en later als schooljongen graag bij. Hij worstelde met vragen over die ‘missie’ van zijn oude broers. Wat deden ze daar eigenlijk, waarom moest je die mensen bekeren tot het christendom? De legitimiteit van de missie, daar had hij twijfels over. Zijn levensvraag was duidelijk. Hoe zitten samenlevingen in elkaar? Waar komen die verschillen in leefwijzen en -opvattingen vandaan? Hij zocht naar samenhang. Mensen vertellen vaak hap snap, ze ‘strooien met woorden als een leger dat kogels zat heeft’. Door goed te luisteren wordt je de samenhang duidelijk, en ‘zie’ je wat mensen eigenlijk willen zeggen, en welk belang ze hebben bij hun versie van het verhaal, soms beter dan ze zelf door hebben. Vertellers laten die samenhang al vertellende ontstaan: ze maken er een zinvol geheel van. Dat is een natuurlijke discipline. Je leert letten op ‘feedback’ – praat ik niet te lang, interesseert mensen dit? Ben ik goed te volgen? Houd ik koers?

Goede vertellers ontwikkelen gevoel voor timing, durven stiltes aan, en kunnen ophouden bij een laatste zin. Voor goede presentatoren geldt precies hetzelfde. Ook een bestaand verhaal kun je op die manier leren vertellen: in eigen woorden, zonder dat je aandacht constant in je hoofd moet zitten. Hou je daarentegen vast aan letterlijke tekst, dan wordt het een voordracht. Meestal ervaar je dan toch wel verlies van contact. Je zit dan teveel in je hoofd en je hebt weinig contact. Luisteraars zien dat en haken af.

Speelruimte voor de geest.

‘Als je samenhang leert zien, heb je ook minder problemen met zingeving’ zegt Jac. ‘Dat is toch een thema tegenwoordig? Voorbeeld. Hier in deze kamer is een samenhang tussen de boeken, de meubels, de schilderijen, de muziekmogelijkheden, de verhoudingen van hoe alles hier staat. Het is een geheel, een ‘gestalt‘. Stilzwijgend wordt vertelt over wie wij in dit huis zijn’. Ik kijk de kamer rond. Jac is mijn commentaar voor. ‘Ja, nu is de kamer in gebruik, er wordt gelezen, koffie gedronken, gegeten, er staat een computer aan, de kat zit vanaf de open trap naar ons te kijken. Je kunt er een andere orde in brengen, door een aantal dingen te verplaatsen. Je kijkt en je overziet het geheel. Zo kun je ook leren luisteren, en je beseft dan wat er wordt gezegd. Je gaat even buiten de details staan en dan reageer je vanuit overzicht; dat is gestaltvorming.

Net als bij het opruimen van een kamer ontstaat er door goed te vertellen ook ruimte: speelruimte in de geest. Kinderen zeggen dan bijvoorbeeld: ‘wat zou er gebeuren als …’ Hun denken komt in beweging. Bij volwassenen kun je dat creatief denken noemen. Ze kunnen zichzelf en anderen een verhaal vertellen over hoe iets zou kunnen zijn, en dat vervolgens aan de realiteit bijstellen: hervertelling wordt dan een creatief proces.

De noodzaak van zintuiglijkheid.

Waaraan voldoet een goed verhaal? (En een goede presentatie)?

Jac komt met het woord zintuiglijk. Als je begint, is er nog niets en dan moet er iets gaan leven, je moet het voelen, voor je zien, horen en soms kun je het ruiken. Er horen geluiden bij. Het bed kraakt, de hond blaft. De geur van lindebloesem komt door het open raam naar binnen, maar ook het geluid van een schuurmachine. Al die zintuiglijke indrukken leveren een beeld op. Bij kinderen is dat nog het sterkst. De wind giert langs de muren, een klein maantje staat boven de kerk, in de steeg klinken voetstappen. Ze knijpen nu in je hand, het wordt eng. En tegelijkertijd moet je wel doorvertellen, vinden ze. Het verhaal brengt een notie van het mysterie van het leven. Het inspireert.

Met die taalmiddelen: zintuiglijke beelden en woordkeus, maar uiteraard ook met synchrone lichaamstaal en stemgebruik, schept een goed verhaal een andere dimensie in ruimte en tijd: een ‘parallelle wereld’. Dit is een tweede voorwaarde van een goed verhaal. Je publiek meenemen naar een parallelle werkelijkheid.

Ook eigentijdse communicatievormen ontlenen nog altijd hun kracht aan dat vertelprincipe van ‘er was eens…’. Zelfs het banale ‘Amerikaans onderzoek heeft aangetoond’ gaat al over een andere werkelijkheid. Meestal hebben we niet eens behoefte om exact geïnformeerd te worden wat voor onderzoek dat dan wel mag zijn, onze behoefte aan een verhaal is al bevredigd, zij het in dit geval wat al te makkelijk. Maar zo werkt het nu eenmaal, want de gewone werkelijkheid, hier en nu, dat is zoveel, dat kunnen we niet in woorden vatten en daar zien we het perspectief ook niet.

Vertellen of uitleggen.

Verhalen nemen ons mee, en dat is prima zolang we maar het onderscheid kunnen maken tussen vertellen en uitleg. Voorbeeld? Laat je eens uitleggen hoe zo’n ‘Amerikaans onderzoek’ in elkaar zit en je ontdekt misschien dat het om een relatief kleine steekproef ging, over een relatief korte periode. Of, dichter bij huis: als ik een Ikea-kast in elkaar moet zetten, moeten ze me in de bijsluiter geen verhaaltjes vertellen, dan wil ik exacte, feitelijke informatie. Maar als jij en ik een meningsverschil zouden hebben over een niet direct zo materiële kwestie, bijvoorbeeld de vraag of de ene politieke partij een beter milieubeleid heeft dan de andere, dan kan een verhaal wel eens helpen

De stilte tussen de woorden.

Tegenwoordig vertellen we meestal op ‘papier’. We schrijven boeken of we internetten. Toch is de kracht van mondelinge verhalen gebleven. Ze brengen ons dichter bij elkaar. Lezen doe je doorgaans alleen, luisteren naar mondelinge vertellers schept samenzijn, letterlijk saam-horigheid. Maar de verteller moet dan wel nog die bijzondere sfeer kunnen oproepen. Zijn woorden en zinnen zijn niet meer dan vliesdunne omhulsels van een stukje werkelijkheid. Nooit kan alles gezegd worden. Alleen in de stilte tussen de woorden is begrip van het subtiele mogelijk. Verhalen moet je dan ook niet hoeven uit te leggen, dan verdwijnt de magie. En magie hebben we nodig voor onze dromen, voor onze motivatie, onze zingeving. Het is langs die noodzakelijke omweg dat verhalen aanzetten tot nadenken. Een omweg als bij biljarten: verhalen spelen over de band, en raken dan subtieler de ‘bal’. Terwijl uitleg van materiële dingen juist direct moet zijn. Dat is het verschil. Vertellen is een lichte, zijdelingse kracht.

Wij zijn één zintuig.

Jac noemt onze zintuigen ‘uitstulpsels’: wij zijn één zintuig dat tast, voelt, ruikt, proeft, luistert, en ten slotte ziet. Wij reageren op die zintuiglijke ervaringen met intuïtieve beelden, voor onszelf en onze omgeving. Ze zijn onze vertaling van wat het moment aan zingeving nodig heeft. Soms is dat onbeholpen. Er mist kleur, sfeer, gevoel. Dan helpt oefening. De verteltechniek van bijvoorbeeld verleden, heden en toekomst toepassen, en andere opbouwprincipes zoals in- of uitzoomen. De kracht van goed gedoseerde herhaling, van begin en slot, van pauzes. Toch noemt Jac dit het ‘vrije vertellen’, spontaan, intuïtief. Want het gaat om de eigen belevenissen. Het vertellen van bestaand repertoire, bijvoorbeeld sprookjes of oude wijsheidsverhalen, kan daar goed in passen, maar dan liefst in eigen woorden. Anders kies je meer voor voordracht of toneel, wat een andere expressievorm is, die ook meer professionele vorming vergt.

Vertellen heeft een helende werking.

Dit ´vrije vertellen´ heeft een helend effect, door de ordening, de herbeleving en het werkelijk in contact gaan met publiek. Het is een heilzame ervaring als een groep mensen op gelijkwaardige basis naar jouw belevenis luistert. Een goed verhaal, ingekleurd met persoonlijke anekdotes, haalt je uit de zakelijke sfeer van de dingen die nu eenmaal gebeuren moeten. Het brengt je naar een andere orde en dat geeft rust. Je problemen worden niet opgelost maar wel in een ander perspectief gezet.

April 2011
© Roeland Schweitzer

Op vrijdag 21 november 2014 is Jac Vroemen overleden.

Over dit vertellen als levenskunst en hoe men een vertelkring kan opzetten gaat het prachtige boek van Jac Vroemen. ‘De kracht van verhalen’, uitgegeven bij Bres, opnieuw uitgebracht bij A3 Boeken als ‘Ode aan de olifant’.